nl | fr | en

CD/DVD

Datum uitgave: vrijdag, 1 september 2000
Beschikbaar op: Compact Disc

€20 (+ verzendingskosten)

titels 1 t.e.m. 4: Brassband Buizingen - Dirigent: Luc Vertommen
titels 5 t.e.m. 8: Groot Harmonieorkest van de Gidsen - Dirigent : Norbert Nozy

  1. Prière avant le départ uit 'Le Retour au Pays' (1885)
  2. Symfonische Variaties (1903)
  3. Interlude Solenelle (1925)
  4. Tweede Symfonische Wals (1923)
  5. Eleusinies - Ouverture (1881-1882)
  6. Eerste Saxofoonconcerto (1902)
    Solist : Norbert Nozy (alt saxofoon)
  7. Tweede Rapsodie (1906)
  8. Quarantenaire - Marche Solenelle (1914)

Deze CD is een productie van Brassband Buizingen v.z.w. met de steun van de Vlaamse Minister van Cultuur na advies van de Beoordelingscommissie voor de Muziek) en onder de supervisie van de v.z.w. 'Foundation Paul Gilson'.

De geluidsopnames gebeurden in de loop van de maanden mei en juni 2000 in het Cultureel Centrum 'Stroming' te Berlare (O.Vl.). Deze CD is een terechte hommage aan 'de vader van de Belgische blaasmuziek'. Het gekozen repertoire is representatief voor wat Gilson creëerde: enerzijds enkele van zijn allerbeste werken voor harmonie/fanfare (Symfonische Variaties, Tweede Symfonische Wals, Tweede Rapsodie), anderzijds een concertant werk (Eerste Saxofoonconcerto) en enkele kleinere werken voor de 'betere amateurgezelschappen' (La Prière en Eleusinies). Dit project, gerealiseerd door twee topensembles, is zonder meer een bijdrage tot de ontsluiting van een nauwelijks gekend maar uiterst waardevol stukje van ons nationaal muziekpatrimonium.

Kanttekeningen bij de CD 'Portrait of Paul Gilson'

In Brussel, op de hoek van de Kolenmarkt en de Zuidstraat, werd op 15 juni 1865 Paul Gilson geboren. Hij was de tweede zoon – broer Charles was 10 jaar ouder – van Victor Gilson en Jeannette Vander Borght. Nog geen jaar na Pauls geboorte verhuisde het gezin naar Ruisbroek bij Halle. Daar bracht Auguste Cantillon (1856-1926; onderwijzer, kaarsenmaker, organist, dirigent van het Ruisbroekse kerkkoor en van de Fanfare Sinte Cecilia) hem de eerste muzikale kennis bij. Al als tiener zette Gilson er zich aan het componeren: enkele religieuze werken voor driestemmig mannenkoor (al dan niet met begeleiding van orgel), wat kleine orgelpreludes en ook al een en ander voor fanfare en harmonie.

Tot zijn eerste werken behoort Eleusinies, Feesten om den oogst te vieren. Gilson die tijdens zijn jeugd aardig wat uurtjes doorbracht in repetitielokalen en kroegen van Brusselse fanfares, zou dit werk geschreven hebben voor ‘La Muse Musicale’, in 1881-82, en droeg het op aan een zekere Pierre van Houtte. Eleusinies, Gilsons oudste compositie die werd uitgegeven (L’Echo, Brussel), is nog geen indrukwekkend volwassen meesterwerk. Het is vrij eenvoudig opgebouwd, bestaat uit drie thematisch contrasterende geledingen die na hun expositie, in diezelfde volgorde maar licht gevarieerd en met een nieuwe harmonisatie herhaald worden, terwijl inleiding en coda een bescheiden motivisch verband met elkaar hebben.
In de Griekse stad Eleusis, in de vruchtbare vlakte van de Thria-rivier, gekend voor het verbouwen van groenten en fruit, werden in de maand augustus grote feesten gehouden ter ere van Demeter, één van de belangrijkste agrarische godheden. Het feestelijke, haast dionysisch opgewekte gevoel beheerst de hele ouverture die opent met bijna Wagneriaans plechtige akkoorden. De invloeden van Wagner en van de Italiaanse operamuziek klinken duidelijk door.

Drie jaar later, in 1885, componeerde Gilson Le Retour au Pays, Tableau Maritime, Grande Fantaisie Descriptive. Dit programmatische werk vertelt in acht aaneengesloten korte deeltjes het verhaal van Schotse emigranten die per boot terugkeren naar hun vaderland, op zee in de voor dergelijke stukken obligate storm terechtkomen, maar uiteindelijk toch veilig en wel in hun vaderland kunnen ontschepen.
Het ingetogen, koraalachtige Gebed voor het vertrek dat verderop in de compositie herhaald wordt als dankhymne voor de behouden terugkeer, is het eerste deeltje uit De Terugkeer naar het Vaderland. In de legende bij de uitgegeven partituur (J.Buyst, Brussel) is de volgende beschrijving voorzien : " Het eerste deel (religioso) is een gebed voor het vertrek. Dit andante in 3/4de maat beschrijft hoe uitgeweken Schotten door een schip naar hun vaderland teruggebracht worden. Ze stellen vooraleer te vertrekken hun vertrouwen in de hemel die ze aanroepen met dit korte gebed."
De versie op deze CD is gebaseerd op twee bronnen : enerzijds op de brassbandversie die William Blockmans maakte voor Brassband Midden-Brabant in de jaren 1970 en anderzijds op een manuscript van Gilson (versie voor harmonieorkest, gedateerd 1900) dat in het AMVC te Antwerpen wordt bewaard.
Le Retour au Pays is een prachtig voorbeeld van de vele werken voor amateurorkest die Gilson schreef ; steeds getuigen zij van zijn bekommernis om voor de amateurmuziek-verenigingen werken te schrijven met een echte muzikale waarde.

Enkele maanden na de dood van zijn vader (2 december 1881) keerde Paul Gilson terug naar Brussel. Hij stortte er zich in het concertleven en maakte op die manier uitgebreid kennis met de muziek van Wagner en van de Russische nationale school. Met César Cui, één van ‘de Vijf’, begon hij in 1887 een drukke briefwisseling die tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog doorliep. Hij correspondeerde ook met Glazoenov en Belaieff, hun uitgever. Naast de drie genoemde Russen ontmoette hij ook persoonlijk Rimski-Korsakov en Skrjabin. Beide polen – Wagner en de Russen – zouden blijvende invloed uitoefenen op zijn werk.
Het behalen van de Prijs van Rome in 1889 (met de cantate Sinaï !) en de creatie op 20 maart 1892 van La Mer door de Brusselse Concerts Populaires o.l.v. Joseph Dupont (1838-1899), betekenden de definitieve doorbraak in de Belgische muziekwereld. Meteen was zijn reputatie als symfonicus bij uitstek gevestigd. Maar zijn uitgesproken voorkeur voor het componeren van muziek voor blazers nam hierdoor niet af. Voor alle vernieuwingen in de blaasinstrumentenbouw had hij nauwlettend aandacht. De realisaties van Adolphe Sax kende hij als geen ander. Zijn bewondering voor Sax en diens uitvindingen beschreef hij uitvoerig in zijn boek Les Géniales Inventions d’Adolphe Sax (1939).

Als 14-jarige volgde Adolphe Sax (1814-1894) klarinetlessen aan de ‘Ecole Royale de Chant’, de voorloper van het Conservatorium te Brussel. Zijn leraar daar was Jean-Valentin Bender (1801-1873), stichter van de Muziekkapel van de Gidsen. Sax koos echter niet voor een loopbaan als instrumentalist maar specialiseerde zich in de instrumentenbouw. In 1842 verhuisde hij naar Parijs waar hij steun vond bij componisten als Berlioz, Rossini, Halévy, Meyerbeer en Fétis. In 1846 verwierf hij het patent op de saxofoon en slaagde hij erin om een nieuwe instrumentenfamilie te ontwerpen met een eenheid in vormgeving en vingerzetting.
De oorsprong van Gilsons Eerste Saxofoonconcerto ligt in Amerika, in Boston, bij Elise of Elisa Hall, dame van Franse afkomst, gehuwd met een Amerikaans chirurg. Na een zware longziekte begon ze om therapeutische redenen saxofoon te studeren. Schatrijk als ze was, vatte ze het plan op een aantal vooraanstaande componisten de opdracht te geven voor haar een concertant werk voor saxofoon en orkest te schrijven. O.a. Vincent d’Indy (Choral Varié), Florent Schmitt (Légende), Claude Debussy (Rhapsody), Georges Sporck en Charles Loeffler gingen op haar vraag in. Ook Paul Gilson kreeg een gelijkaardige opdracht van Elisa Hall en hij droeg zijn Premier concerto pour saxophone alto et orchestre of Suite pour saxophone alto avec accompagnement d’orchestre (1902 ; hij componeerde twee saxofoonconcerto’s in dat jaar) dan ook aan haar op. Deze compositie is zoniet het allereerste, dan toch zeker één der allereerste concerto’s voor saxofoon in de klassieke betekenis van het woord, zijnde een driedelige compositie voor solo-instrument met orkestbegeleiding, inclusief solocadenza. Gilson benut alle typische kenmerken van evenwicht tussen kracht en virtuositeit van het instrument. De originele symfonische versie is intussen onvindbaar, maar Yvon Ducéne gebruikte deze wel voor zijn orkestratie voor harmonieorkest die hij in 1980 maakte voor saxofonist Elie Apper en de Muziekkapel van de Gidsen.

Een andere geniale ontwikkeling van Adolphe Sax was de familie van de saxhoorns die hij tussen 1842 en 1845 vervaardigde. In de wereld van de kopers werd in die periode duchtig geëxperimenteerd met allerhande mogelijkheden om de instrumenten chromatisch te laten spelen. Sax bracht met zijn saxhoornfamilie eenheid in de bouw en er ontstond door de conische bouw van de saxhoorns een prachtige groep zachte kopers. Toen hij in 1844 in Parijs de familie Distin ontmoet – John Distin en zijn vier zonen vormden een befaamd koperkwintet – schakelden deze prompt over op de saxhoorns. Hun virtuoze spel en Sax’ aanwezigheid met zijn nieuwe instrumenten op de Wereldtentoonstelling in Londen in 1851 vormden een belangrijke stap in de ontwikkeling van de Britse brassbands. Toen in 1853 de ‘Mossley Temperance Band’ de Belle Vue Contest won met een complete reeks saxhoorns, was de start gegeven voor invoering van een gestandariseerde bezetting mét de saxhoorn-familie.
Het repertoire van de brassbands in die periode bestond (afgezien van originele marsen, koralen en solowerken) louter uit transcripties van klassieke werken of opera-ouvertures en aria’s. Het was wachten op het eerste originele en volwaardige brassbandwerk tot 1913, met Percy Fletcher’s Labour and Love. Het duurde nog tot einde van de jaren 1920 vooraleer vooraanstaande componisten als Holst, Elgar, Ireland en Bantock voor dit nieuwe medium begonnen te schrijven. De gehele periode tussen de invoering van de saxhoorns in 1853 en Labour and Love in 1913 is wat repertoire betreft nog een braakliggend terrein voor musicologisch onderzoek.

Naast het repertoire van de ‘Cyfarthfa Band’ (voornamelijk bestaande uit transcripties, marsen, polka’s en de interessante Tydfil Overture van Hubert Parry die dateert uit de periode 1874/1880) en de werken voor koperseptet van Jean Sibelius uit de periode 1889-1898 vormen de werken die Gilson componeerde tussen 1898 en 1906 een mijlpaal in de evolutie en de zoektocht naar een origineel repertoire voor kopers. Omwille van de muzikale inhoud die ver vooruit denkt op de toen gangbare taal, quasi uitsluitend gebaseerd op opera- of marsachtig muzikaal materiaal, zijn Gilson’s werken opzienbarend.

Enkele van zijn werken voor koperensemble, waaronder de Variations, componeerde Gilson voor de ‘Fanfare Wagnérienne’ van Henri Séha (1860-1941). Séha speelde naast trombone ook cello en contrabas. Na zijn studies in Brussel ging hij zich in Parijs verder bekwamen. Hij maakte er kennis met Jean-Baptiste Arban en werkte er samen met Adolphe Sax. In 1886 vroeg François-Auguste Gevaert hem om terug naar Brussel te komen en er leraar trombone (en later ook contrabas) te worden aan het Conservatorium. Gevaert vroeg hem ook om een samenspelklas voor koperblazers te organiseren en te dirigeren. Omdat Seha het moest stellen met een jaar na jaar wisselend aantal studenten, had zijn ‘Fanfare Wagnérienne’ niet echt een standaardbezetting. Toch blijkt een bezetting van 17 kopers (4 trompetten, 4 hoorns, 4 Wagnertuba’s, 3 trombones, een tenortuba in Bes en een bastuba in Bes) en slagwerk de meest frequent voorkomende samenstelling te zijn geweest.
Voor de brassbandversie van de Variations Symphoniques baseerde Luc Vertommen zich op het manuscipt van de originele Théme et Variations uit 1903. Zoals zo dikwijls maakte Gilson later ook van dit werk nog andere (en soms meer uitgebreide) versies voor groter koperensemble (in 1907), voor piano, voor fanfare- en harmonieorkest en voor symfonisch orkest.

De originele versie voor de ‘Fanfare Wagnérienne’ heeft een aantal merkbare verschilpunten ten opzichte van de andere versies maar is muzikaal de rijkste versie. Het thema (andante) is eenvoudig van karakter en wordt voorgesteld door de solocornetten. In de eerste variatie (andante piu mosso) omspelen de middenstemmen het thema in de cornetten. De tweede variatie (Marziale) is een soort processiemars met een zwaar accent op de eerste tel wat deze variatie een licht humoristisch karakter geeft. In de derde variatie (Piu moderato – Elegiaco) wordt het thema, doordrongen van melancholie, gezongen in hoorns en baritones, nadien in cornetten. De vierde variatie (Danza alla tedesca – Allegro) is een zwaarmoedige Duitse wals met veelvuldige accenten op de derde tel. Variatie 4a (Misterioso – Moderato allegro ritenuto) is, zoals het opschrift laat vermoeden, mysterieus van karakater, met het thema in de bassen. Deze variatie komt enkel voor in de originele versie. De vijfde variatie (Allegro ritenuto), chromatisch en streng polyfoon, laat complexe klankstructuren horen met hier en daar wat kleureffekten en sombere basstemmen die getuigen van Gilsons onrustige ziel. Variatie 6 (Scherzo Russe) is een Russische kozakkendans waarin het thema drie keer onder een verschillende gedaante voorkomt : een opgewekte fanfare, een Borodinachtig middendeel en een gesyncopeerde ‘Gopak’ à la Moessorgski. De zevende variatie (Notturno – Andante sostenuto), volromantisch qua stemming, valt op door een opmerkelijke behandeling van het zachte middenregister uit het orkest,. De achtste variatie (Andante, rubato molto e lyrico) doet denken aan een opera-aria van Weber of Gounod. Een kort intermezzo (met dempers) vormt even een rustpauze voor een grootse finale (Allegro molto, marcato) : een soort brutale en uit mekaar gerukte, gesyncopeerde mars met flarden thematisch materiaal. De nieuwe melodie van de cornetten contrasteert met wat voorafgaat en leidt naar de finale weergave van het thema in al zijn grandeur.

Variations Symphoniques is één van Gilson’s meesterwerken op het gebied van de absolute muziek. Hij combineert hier zeer inventieve vondsten met een enorm rijk en persoonlijk klankpalet.

Net zoals de Variations Symphoniques een mijlpaal is in het repertoire voor koperensemble, is de Tweede Rapsodie uit 1906 een zeer opmerkelijk werk voor harmonieorkest. Bij een vergelijking ervan met gelijkaardige originele werken voor harmonieorkest uit die periode (bijvoorbeeld de twee suites van Gustav Holst uit 1909-1911) vallen twee elementen meteen op. Eerst en vooral is er Gilsons symfonische aanpak van het materiaal. Op geen enkel moment zoekt hij zijn toevlucht tot goedkope volksliedachtige of martiale thema’s. Het beginthema wordt doorheen de hele rapsodie symfonisch verwerkt en verschijnt na de ‘Czardas’ als een soort koraalmelodie in de finale. Bovendien behandelt Gilson het harmonieorkest als een volwaardige orkestvorm. Onmiddellijk vallen zijn grondige kennis van de blaasinstrumenten op en zijn rijke orkestratie (met een voor die periode opmerkelijk gebruik van dempers en celesta). Zijn kennis van instrumentatie schreef hij neer in een bijzondere cursus. Zijn Manuel de musique militaire uitgegeven in 1926 (Het Muziekfonds, Antwerpen) is nog steeds een standaardwerk inzake orkestratie voor blaasorkest.

De Quarantenaire Marche Solenelle componeerde Gilson in 1914. Hij zou de mars later opdragen aan de ‘Cercle Instrumental’ (opgericht in Brussel, 1881), ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van het muziekkorps. Onder leiding van Jules Blangenois (1870-1957; trombonist, dirigent, publicist en uitgever) speelde de Cercle Instrumental dit werk voor het eerst op 23 januari 1922, in de Muntschouwburg. Deze mars doet denken aan de plechtige Engelse marsen van Edward Elgar uit het begin van de eeuw.

Ik componeer niet meer, men speelt ons toch niet", schreef Paul Gilson in 1914 aan musicoloog Floris van der Mueren. Gilson was te zeer rasmuzikant om het componeren zomaar op te geven, maar toch tekenen deze woorden de diepe moedeloosheid die hem bijwijlen kwelde. Na de eerste successen was de aandacht voor Gilsons werk in Brussel snel afgenomen. Steeds meer zocht hij daarom aansluiting bij het muziekleven in Vlaanderen, met name in Antwerpen. Twee jaar na zijn benoeming tot leraar harmonie aan het Koninklijk Conservatorium Brussel (20.01.1900) verwierf hij eenzelfde benoeming aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen (01.05.1902). In Brussel kon hij sindsdien op stevige tegenkanting rekenen. Uit de vaak dweperige persreacties na de triomfantelijke creatie van zijn opera Prinses Zonneschijn door het Nederlandsch Lyrisch Tooneel (Antwerpen, 10 oktober 1903, o.l.v. Edward Keurvels) blijkt duidelijk dat Gilson willens nillens een boegbeeld was geworden van de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. "Gij zijt van ons. De Zee, Zeevolk is van ons, Claribella en Zonneschijn zijn van ons. Dat kan niemand ons ontnemen. Heil U, voor den volke in den lande ’’, zou Jef Van Hoof in 1917 schrijven in Vlaamsch Leven.

Met zijn benoeming tot inspecteur van het muziekonderwijs in Vlaanderen (12.01.1909; in 1912 kreeg hij er ook de bevoegdheid voor Wallonië bij) kwam een eind aan zijn officiële onderwijsloopbaan. Privé bleef hij evenwel onverminderd lesgeven. Zowat de hele Belgische componistengeneratie uit het interbellum ging bij hem in de leer. Intussen was hij ook medewerker geworden van diverse dagbladen en muziektijdschriften. Die overdrukke activiteiten, de tegenkanting in Brussel én een wankele gezondheid veroorzaakten omstreeks 1905-1910 een opvallende kentering in zijn compositorisch werk. Volgde hij als pedagoog en criticus de vernieuwingen in het muzikaal denken van zeer nabij – het blijkt ten overvloede uit zijn vele artikels – als componist had hij er nauwelijks boodschap aan. De encyclopedische kennis van muziektheorie, van harmonie en contrapunt, de zeer gedegen compositorische vakkennis die hij zich in het verleden eigen had gemaakt, leek hij moeilijk te kunnen opgeven voor het avontuur van de vernieuwing. De fantasierijke componist van licht- en kleurrijke, spontaan uitbundige werken maakte plaats voor de ambachtsman, de architect. Dit betekent evenwel geenszins dat hij na 1910 geen waardevolle werken meer schreef. Integendeel, periodes van ontgoocheling en steeds weer opflakkerende scheppingsdrang zouden elkaar blijven afwisselen.

De eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog waren ongetwijfeld de moeilijkste die hij doormaakte. Kort voor de Wapenstilstand was hij door de Duitse bezetter benoemd tot waarnemend directeur van het Antwerpse Conservatorium, ter vervanging van de naar het buitenland gevluchte Emile Wambach. Beschuldigd van collaboratie werd hij na de oorlog gedurende drie jaar geschorst als inspecteur.

Gilson componeerde twee symfonische walsen voor blaasorkest die hij nadien ook zou bewerken voor symfonisch orkest. De pianoversie van de eerste Valse Symphonique, Morceau de Concours) dateert uit 1892, de tweede Valse-Scherzo, Deuxième Valse Symphonique) is niet gedateerd maar werd wellicht geschreven kort na zijn eerherstel, alleszins ten laatste in 1923, blijkens een in dat jaar gepubliceerde analyse door Marc Delmas die het heeft over « une nouvelle composition du Maître ».
Bijna alle componisten aan het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw componeerden
walsen. Na de Eerste Wereldoorlog en de vernietiging van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie kende de populariteit van de wals een ferme terugval ten voordele van de razendsnel oprukkende Amerikaanse dansmuziek. Componisten als Mahler en Stravinsky gebruikten de wals op een groteske en bijna karikaturale manier. Gilson behandelde de wals als een symfonisch genre, op de manier zoals ook Maurice Ravel dat deed in 1919-1920.
In de Deuxième Valse Symphonique gebruikt Gilson drie grote thema’s. Het eerste en plechtige thema wordt gespeeld door cornetten en trombones, het tweede en zachte thema door de zachte kopers. Het derde thema is een onrustige en smachtende melodie met grote intervalsprongen. De drie thema’s en tal van nevenmotieven verwerkt Gilson nog eens uitgebreid in de coda.

Interlude Solennel, gedateerd 15 februari 1925, is de enige compositie van Gilson waarin zich twee elementen verbinden die destijds in Ruisbroek deel uitmaakten van zijn eerste muzikale ervaringen : het orgel en de koperblazers. De oorspronkelijke partituur is nl. bedoeld voor 3 trompetten, 3 hoorns, 3 trombones en orgel. De preciese aanleiding voor het schrijven van dit plechtige interludium is niet gekend, al staat vast dat de opdrachtgever een Zwitser was: "composé pour Dusquene …… [onleesbaar] (Suisse)", vermeldt de autograaf.
Op 1 september 1930 werd Gilson officieel op rust gesteld. Het betekende geenszins het einde van zijn loopbaan. In 1925 was hij artistiek directeur geworden van het onder zijn impuls opgerichte tijdschrift La Revue Musicale Belge, functie die hij bleef waarnemen tot eind 1939, toen de internationale toestand de redactie dwong ermee te stoppen. Privé bleef hij lesgeven, ook per briefwisseling ; hij verzorgde een wekelijkse muziekkroniek voor de radio en ging door met componeren tot in zijn allerlaatste levensjaren.
Na een slepende ziekte overleed Paul Gilson in zijn woning aan de Voltairelaan (nr. 33) te Schaarbeek op Goede Vrijdag 3 april 1942.

Paul Gilson had reeds in zijn kinderjaren kennis kunnen maken met de fanfare van Ruisbroek, waarvoor hij zijn eerste werken componeerde en bleef zijn hele verdere leven lang gefascineerd door deze orkestvorm.
Door hardnekkig werken en door zijn scherp observatievermogen werd Gilson vlug een specialist terzake. Hij interesseerde zich niet alleen voor de professionele muziekbeoefening, maar probeerde ook de populaire amateurkunst artistiek hogerop te brengen. Afgezien van enkele geïsoleerde pogingen van o.a. Fétis, Berlioz, Gevaert, Benoit, Saint-Saëns en Rimski-Korsakov stelde het reperoire voor blaasorkest in de 19e eeuw weinig voor. Het blazerskorps was weinig meer dan een surrogaat van het symfonieorkest, een soort cultuurmissionaris die bewerkingen bracht van populaire operafragmenten of al eens een transcriptie van een deel van een klassieke symfonie. Anderzijds diende het blaasorkest het volksvermaak en puilde het repertoire uit van marsen, polka’s en pas redoublé’s. Gilson gooide het roer resoluut om. Als één der allereersten beschouwde en behandelde hij het blaasorkest als een volwaardige orkestvorm en ontwierp hij een volslagen nieuw en specifiek repertoire aangepast aan en berekend op de specifieke eisen en mogelijkheden van de blaasinstrumenten. Voor harmonie en fanfare componeerde hij een groot aantal werken, van kleine marsen, polka’s en walsen tot concertouvertures en concertante werken. Het aantal totnogtoe geregistreerde originele werken voor blazers (kamermuziek, en vocale werken met begeleiding van blazers inbegrepen) bedraagt 219 nummers.

De muzikale en historische betekenis van Paul Gilson die terecht de "vader van de Belgische blaasmuziek" genoemd wordt, kan men niet hoog genoeg inschatten. Talloze componisten zochten, gestimuleerd door zijn voorbeeld, de weg naar een muzikaal-functionele volksverbondenheid. In vele gevallen met niet gering succes. August de Boeck; Jef van Hoof; Daniel Sternefeld; de Synthetisten : Marcel Poot, Robert Otlet, Theo Dejoncker, Gaston Brenta, Maurits Schoemaeker, René Bernier, Jules Strens en Francis de Bourguignon; Gustave De Roeck; Arthur Meulemans; Alfred Mahy; Jan Louel; Victor Legley … en met hen nog zovele anderen. Gilson was de aanzet van een niet te stuiten beweging, de vonk die oversloeg op tijdgenoten en latere generaties. Resultaat: een veelzijdige veredeling van het repertoire voor blaasorkesten.

Tekst copyright © Luc Vertommen / Jaak Van Holen / Francis Pieters

 

Paul Gilson

(Brussel 15/6/1865 - Schaarbeek 3/4/1942)

Paul GilsonVader van de Belgische blaasmuziek Gilson wordt algemeen beschouwd als één der belangrijkste toondichters van België. Zijn zeer veelzijdig oeuvre (symfonisch werk, opera's, cantates, oratoria, melodrama's, liederen, kamermuziek voor diverse bezettingen, composities voor harmonie en fanfare) omvat wellicht meer dan 500 nummers. Naast zijn activiteit als componist was hij een gerenommeerd criticus en eminent pedagoog. Gilson stelde zijn talenten ook ten dienste van de amateurmuziekbeoefening. In de laatste decennia van de 19e eeuw kende de amateuristische blaasmuziek een unieke opmars en nagenoeg ieder dorp, wijk of gehucht telde één of meerdere harmonies of fanfares. Deze orkesten waren een soort 'cultuurmissionaris' die de man-in-de-straat bewerkingen bracht van ouvertures uit toenmalige succesopera's of al eens een transcriptie van (een deel uit) een klassieke symfonie. Ook het element volksvermaak was doorslaggevend en het repertoire puilde uit van marsen, polka's, pas redoublés, walsen e.d.m. Gilson gooide het roer echter resoluut om. Als één der allereersten zag hij al vlug de dwingende noodzaak in van een eigen en specifiek repertoire voor harmonie- en fanfareorkesten. Bezield met een apostolische ijver ging hij aan de slag en reeds op zijn vijftiende componeerde hij voor korpsen uit het Brusselse. De productie liep ononderbroken door en in 1941 telde zijn totaal oeuvre voor dit medium meer dan 200 nummers. Niet minder belangrijk dan de inherent muzikaal-esthetische waarden en het pedagogische en sociale aspect van zijn werk in dit domein, is de uitstraling ervan op andere componisten. Gilson was de aanzet van een niet te stuiten beweging, de vonk die oversloeg op tijdgenoten en latere generaties. Resultaat: een veelzijdige veredeling van de literatuur voor blaasorkesten.

Foundation Paul Gilson vzw.

Ondanks het feit dat Gilson algemeen beschouwd wordt als één van de markantste persoonlijkheden uit de Belgische muziekgeschiedenis, is zijn werk, meer dan vijftig jaar na zijn dood, een bijzonder marginaal verschijnsel op de concertpodia in eigen land. De meeste van zijn partituren werden nooit uitgegeven en wat toch werd uitgegeven is nauwelijks nog verkrijgbaar. Autografen en biografische documenten zijn – zo al niet verloren – dan toch minstens hopeloos verspreid geraakt. Het musicologisch onderzoek naar zijn leven en werk staat nog in minder dan de kinderschoenen en berust uiteindelijk op idealistisch vrijwilligerswerk van enkelingen.

Naar aanleiding van de projectweek ‘Herwaardering van de blaasmuziek van Paul Gilson en Marcel Poot’ (mei 1998), in het kader van het Cultureel Ambassadeurschap van Vlaanderen 1997, georganiseerd door Brassband Buizingen, werd door Jaak Van Holen, Luc Vertommen, Freddy Spiegeleer, Rudi De Wolf en Theo Roels de oprichting van een ‘Stichting Paul Gilson’ overwogen. Om dit unieke project van BBU niet als een eendagsvlieg te laten doodbloeden werd op hun initatief, en onder voorzitterschap van Yolande Watelet, kleindochter van de componist, op 26 februari 1999 door enkele musici, musicologen en melomanen (waaronder naast de reeds genoemden Frits Celis, Alain Crepin, Ignace De Wilde, Johan Eeckeloo, Luc Leytens, Jan Melsen, Norbert Nozy, Francis Pieters, Luc Vercruyssen, en Jacques Waerseggers) overgegaan tot de oprichting van de ‘Foundation Paul Gilson vzw’.

De vereniging stelt zich tot doel partituren en diverse documenten omtrent leven en werk van deze toondichter te verzamelen, het musicologisch onderzoek te stimuleren, en alle initiatieven te steunen die de bekendmaking van Gilsons omvangrijke oeuvre ten goede komen.

Foundation Paul Gilson vzw.
Jaak Van Holen (voorzitter Raad van Bestuur)
Lekestraat 37 B-9190 STEKENE

Reacties op Anthology of Flemish Band Music

CD's Portrait of Paul Gilson - World Wind Music 500.061
Portrait of Marcel Poot - World Wind Music 500.090

Championship Sound, John Maines, British Bandsman

Music from Flemish composer Paul Gilson, the father of Belgian wind band music, is featured on this very interesting disc played by two of Belgium's finest ensembles, Brassband Buizingen en the Royal Symphonic Band of the Belgian Guides. I found this recording to be a most enjoyable listening experience with music of great quality played by musicians of equal standing. Thoroughly recommended.

Leon J. Bly, WASBE Newsletter

Although Paul Gilson is known as the father of Belgian wind band music, his over 200 compositions for wind band are rarely performed today, even in his native country. Thus, this CD is part of a project of Luc Vertommen tot revive interest in Paul Gilson's music. The excellent performances here by these two fine bands and their first rate conductors allow one to honestly evaluate the wind band music of a leading composer of the past, all of whose music should not be forgotten. This type of documentary recording is most valuable to the wind band conductor and one can only hope that more such recordings will appear in the future.

Roy Newsome

Thank you very much for the copy of your splendid Portrait of Paul Gilson. More to the point I really enjoyed listening to the CD, with some fine playing from both bands. You do right to compare this wind band music of that of Holst.

Jaak Van Holen, voorzitter Foundation Paul Gilson

Uiteraard zo gauw mogelijk de CD beluisterd. Proficiat! Dit is puik werk, uitstekende promotie voor het werk van Gilson ! En een mooi en gevarieerd geheel.

Luc Leytens, Kaderblad Jeugd en Muziek

De Brabantse gemeente Buizingen bezat al sinds 1879 een fanfare. Die werd in 1975 omgevormd tot een brassband naar Brits model. In die hoedanigheid werkt het blazersensemble zich op tot één van de beste in dit land. Het ontving zelfs de eretitel van Cultureel Ambassadeur. Een initiatief als deze CD zou daar volkomen in passen, ware die titel nu niet verdwenen. In elk geval is het een grote verdienste om de blaasmuziek van Paul Gilson van onder het stof te halen. Deze uitmuntende plaat onder het motto Anthology of Flemish Band Music. We mogen dus hopen dat ze het begin is van een reeks gelijkaardige ontdekkingen.

Yolande Waerseggers-Watelet, kleindochter Paul Gilson

Je vous remercie infiniment pour ce bel enregistrement de la musique de mon grand-père, Paul Gilson, interprétée par messieurs Luc Vertommen et Norbert Nozy, avec le plus grand brio. En vous remerciant avec émotion de ce magnifique travail, je vous prie d'agréer l'expression de toute ma considération.

Brass Band World Magazine

I had never heard of Paul Gilson until I received this disc but I can now appreciate that he is rightly called the father of Belgian wind band music. The main point of interest must be the Symphonic Variations and this composition compares very favourably with British band music of that time.

Jaak Maertens, Vlaanderen

Paul Gilson wordt beschouwd als de vader van de Belgische blaasmuziek. Men kan alleen maar toejuichen dat Brassband Buizingen en het Groot Harmonieorkest van de Gidsen volkomen synergisch in een Anthology of Flemish Band Music deze CD hebben gerealiseerd, hopelijk de aanzet tot een interessante serie. Deze CD verschaft ons een representatief beeld van Gilsons productie voor blaasorkest.

Francis Pieters, IMMS

Na een CD helemaal gewijd aan muziek van de Vlaamse componist Paul Gilson heeft Brassband Buizingen een gelijkaardige aan de belangrijkste leerling van Gilson, nl. Marcel Poot, gewijd. De uitmuntende brassband van Buizingen vertolkt zeven stukken van Poot op deze CD waarvan diverse fanfares voor koperensemble en de 'Mouvement Symphonique', één van de belangrijkste werken voor amateursorkesten van Poot; het werd dan ook talloze keren verplicht gesteld op concoursen in binnen- en buitenland. Het Groot Harmonieorkest van de Koninklijke Muziekkapel van de Gidsen vertolkt op haar beurt vier composities van Marcel Poot. Zowel de Brassband Buizingen als 'De Gidsen' spelen op zeerhoog niveau en dit laserschijfje geeft een prachtig portret van deze belangrijke Vlaamse componist, die ondertussen, spijtig genoeg, reeds ietwat in de vergetelheid geraakt is - ten onrechte dus!

Terug naar vorige pagina

Partners

Besson
GK Graphic Design
Buffet Crampon Wind Instruments
Lemca
Wok City
Blank